ICT-eindtermen
Alle leerlingen in het basisonderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs moeten leren omgaan met informatie- en communicatietechnologie (ICT). Onderwijsminister Frank Vandenbroucke heeft daarom voor deze niveaus vakoverschrijdende ICT-eindtermen opgesteld, die ingaan op 1 september 2007. Er is gekozen voor leergebied- en vakgebiedoverschrijdende eindtermen die eerder algemeen van aard zijn en dus niet toegespitst op enkele populaire softwareprogramma’s.
Overzicht van de vakoverschrijdende ICT-eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het gewoon basisonderwijs en ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs, types 1, 2, 7, 8.
De leerlingen:
- hebben een positieve houding tegenover ict en zijn bereid ict te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren.
- gebruiken ict op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier.
- kunnen zelfstandig oefenen in een door ict ondersteunde leeromgeving.
- kunnen zelfstandig leren in een door ict ondersteunde leeromgeving.
- kunnen ict gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven.
- kunnen met behulp van ict voor hen bestemde digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren.
- kunnen ict gebruiken bij het voorstellen van informatie aan anderen.
- kunnen ict gebruiken om op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier te communiceren.
De leerlingen hebben een positieve houding tegenover ICT en zijn bereid ICT te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren.
- Naast het ontwikkelen van een positieve houding ten aanzien van ICT, wordt ook de bereidheid om ICT te gebruiken als middel om te leren, aangescherpt. ICT kan immers behalve een aanvullende rol, ook een remediërende en compenserende rol vervullen.Het ICT-gebruik speelt op school een compenserende rol voor mensen met een beperking. Dat geldt evenzeer voor diegenen die thuis niet de mogelijkheden hebben om met ICT te leren omgaan. Maar ook moet ICT op school een compensatie bieden voor vaardigheden en attitudes die bij thuisgebruik niet of veel minder worden verworven.
- 1a.1 De leerlingen kunnen door middel van overleg uitmaken bij welke onderdelen van de opdracht het nuttig is ICT als hulpmiddel in te schakelen.
- 1a.2 De leerlingen kunnen met elkaar afspreken hoe ze ICT zullen benutten bij het werken aan de opdracht en wie welke taken op zich zal nemen.
- 1a.3 De leerlingen kunnen doelgericht informatie, inzichten en meningen samenbrengen, vergelijken en verwerken tot een groepsresultaat.
- 1a.4 De leerlingen kunnen de vorderingen van de groep tussentijds evalueren en daarbij constructieve feedback geven en benutten.
- 1a.5 De leerlingen kunnen afwegen wat de specifieke meerwaarde van het ICT-gebruik was binnen hun samenwerking.
- 1a.6 De leerlingen respecteren elkaars bijdrage en mening.
- 1a.7 De leerlingen respecteren afspraken en timing.
- 1a.8 De leerlingen zijn bereid elkaar te helpen rekening houdend met de verschillen in ICT-competenties.
De leerlingen gebruiken ICT op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier.
- Met ‘veilig’ wordt bedoeld dat leerlingen alert zijn voor ondermeer schadelijke of discriminerende inhouden en voor het bestaan van virussen, spam en pop-ups. Ze geven geen persoonlijke en vertrouwelijke informatie door aan onbekenden. Ze kweken de reflex aan om dubieuze berichten en ongewone inhouden te signaleren.
Bij ‘verantwoord gebruik’ wordt bijvoorbeeld gedacht aan de zorg voor apparatuur en software. Dat houdt ondermeer in dat leerlingen rekening houden met de financiële en ecologische aspecten van ICT-gebruik: zij printen bv. niet elk document uit en respecteren de afspraken over downloaden en kopiëren.
Verantwoord gebruik heeft ook ethisch-sociale aspecten. Leerlingen gebruiken ICT niet om anderen lastig te vallen en te pesten. Ze hebben respect voor de intellectuele eigendom van anderen bij het gebruik van informatie en software. Er is ook de zorg voor zichzelf: de leerlingen werken op een ergonomisch verantwoorde manier met de computer.
‘Doelmatigheid’ heeft te maken met zich afvragen of de middelen in verhouding staan tot het doel. Leerlingen leren hun ICT-gebruik kritisch te overdenken. Zij houden bij het werken met ICT steeds hun doel voor ogen. Ze gebruiken ICT enkel waar dat zinvol is, ze proberen bv. de duur van hun ICT- gebruik realistisch in te schatten en te bewaken. - 1b.1 De leerlingen zijn in staat om functioneel gebruik te maken van een correcte basisterminologie.
- 1b.2 De leerlingen zijn in staat om de elementaire functies van een computer en voor hen beschikbare randapparatuur te gebruiken.
- 1b.3 De leerlingen zijn in staat om hun eigen gegevens op een gestructureerde wijze digitaal op te slaan.
- 1b.4 De leerlingen zijn in staat om de basishandelingen uit te voeren van een vertrouwd besturingssysteem.
- 1b.5 De leerlingen zijn in staat om de basishandelingen uit te voeren van eenvoudige schrijf-, teken- en presentatieprogramma’s, van zoek- en communicatieprogramma’s.
- 1b.6 De leerlingen zijn in staat om de elementaire bedienings- en veiligheidsvoorschriften toe te passen.
- 1c.1 De leerlingen gaan op een kritisch-waarderende wijze om met ICT als maatschappelijk gegeven.
- 1c.2 De leerlingen werken nauwkeurig en verzorgd en controleren hun werk op fouten.
- 1c.3 De leerlingen dragen zorg voor de apparatuur en de software.
- 1c.4 De leerlingen signaleren contact met schadelijke of discriminerende inhouden aan een vertrouwde volwassene.
- 1c.5 De leerlingen werken op een ergonomische manier met de computer.
- 1c.6 De leerlingen proberen de duur van een ICT- opdracht realistisch in te schatten en te bewaken.
- 1c.7 De leerlingen geven of vragen spontaan hulp bij computerproblemen.
- 1c.8 De leerlingen hebben respect voor de intellectuele eigendom van anderen bij het gebruik van informatie en software.
- 1c.9 De leerlingen houden rekening met de financiële en ecologische aspecten van ICT-gebruik.
- 1c.10 De leerlingen hebben weet van het bestaan van virussen, spam, pop-ups, … en signaleren spontaan voor hen ongewone berichten.
De leerlingen kunnen zelfstandig oefenen in een door ICT ondersteunde leeromgeving.
- Nadat kinderen en jongeren nieuwe leerinhouden verworven hebben, is het van belang dat ze voldoende mogelijkheden krijgen om te oefenen. De computer kan daarvoor een nuttig hulpmiddel zijn. Wij denken bijvoorbeeld aan de wijd verspreide oefenprogramma’s.
De meerwaarde van deze vorm van ICT-integratie kan onder meer bestaan uit: variatie (in oefenvormen, het inspelen op verschillende leerstijlen..), differentiatie (op het vlak van tempo en niveau), geïndividualiseerde feedback of tijdswinst bij de evaluatie. - 2.1 De leerlingen kunnen zelfstandig oefenen met een vertrouwd educatief software-programma.
- 2.2 De leerlingen kunnen oordelen of zij de opdracht tot een goed einde hebben gebracht.
- 2.3 De leerlingen maken spontaan gebruik van voor hen bedoelde helpfuncties.
De leerlingen kunnen zelfstandig leren in een door ICT ondersteunde leeromgeving.
- Met zelfstandig leren wordt bedoeld dat de leerlingen nieuwe leerinhouden verwerven en verwerken, waarbij de computer als het ware de rol van de leerkracht overneemt. Een voorbeeld is de werkvorm waarbij de leerling stapsgewijze geleid wordt naar de sites waar informatie te vinden is, en door gerichte opdrachten die informatie moet verwerken. Ook kunnen de leerlingen bv. een simulatie uitvoeren aan de hand van een voor hen geschikt educatief programma en daar conclusies uit trekken.
- 3.1 De leerlingen zijn in staat een eigen leertraject te volgen aan de hand van een elektronisch gestuurd stappenplan.
- 3.2 De leerlingen kunnen zelfstandig leren aan de hand van een vertrouwd educatief programma.
- 3.3 De leerlingen kunnen een simulatie uitvoeren aan de hand van een voor hen geschikt educatief programma en daar conclusies uit trekken.
- 3.4 De leerlingen kunnen reflecteren op hun gevolgde werkwijze en op wat ze geleerd hebben in combinatie met de vooropgestelde doelen.
De leerlingen kunnen ICT gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven.
- ICT kan het creëren faciliteren. Dat betekent dat zij creatief kunnen omgaan met beelden, woorden, eventueel klank. Wij denken aan het maken van een attractieve affiche met woord en beeld, een menukaart, het illustreren van een zelfgemaakte tekst, het maken een elektronische ‘collage’, het gebruik van digitale fotografie. De leerlingen kunnen daarbij gebruik maken van de elementaire mogelijkheden die allerlei tekst-, beeld- en tekenprogramma’s bieden. Door het aanwenden van ICT krijgen leerlingen bijkomende kansen om hun ideeën te verwezenlijken.
- 4.1 De leerlingen kunnen oordelen welke ICT-hulpmiddelen hen kunnen helpen bij het creëren.
- 4.2 De leerlingen kunnen, met behulp van ICT, eigen ideeën met tekst en beeld creatief vormgeven en beschikbaar maken.
- 4.3 De leerlingen kunnen oordelen of zij de opdracht tot een goed einde hebben gebracht en reflecteren op hun werkwijze.
- 4.4 De leerlingen kunnen feedback geven op het werk van hun medeleerlingen en aangeven hoe zij het zelf zouden aanpakken.
De leerlingen kunnen met behulp van ICT voor hen bestemde digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren.
- Het zoeken van informatie situeert zich hier gedeeltelijk in de ‘elektronische bibliotheek’ die ter beschikking staat op cd-roms, de schoolserver of op het internet. Wij denken aan elektronische encyclopedieën, vertaalwoordenboeken, educatieve cd-roms met tekst, beeld, geluid, animatie … en uiteraard webpagina’s. Net zoals de leerlingen vooral hun gading zullen vinden in het op hen gerichte deel van de echte bibliotheek, kan de leerkracht hier een ‘platform’ afbakenen met enkel voor hen geschikte of specifiek op hen gerichte informatie. Hij kan de leerlingen ook laten werken met speciaal voor het onderwijs ontworpen zoekrobots.
Met het verwerken van informatie bedoelen wij bijvoorbeeld dat zij uitmaken wat er interessant is in het kader van hun doel of opdracht; dat zij deze informatie gebruiken om oplossingen te geven voor een vraag of een opdracht; dat zij deze informatie ordenen om ze nadien te kunnen voorstellen aan anderen en dat zij de informatie representeren onder een andere vorm, zoals een grafiek, een schema, een affiche...
Het begrip digitale informatie dient ruim geïnterpreteerd en omvat ook het omzetten van informatie naar een elektronische drager, bv. het gebruik van foto’s of krantenartikels die men eerst ingescand heeft.
De reikwijdte van deze eindterm wordt qua inhoud beperkt door de context van de leerinhouden van het betreffende niveau, qua moeilijkheid door eindtermen/ ontwikkelingsdoelen die deze contexten aflijnen. Bijvoorbeeld voor informatieverwerken gelden hier ook de beperkingen in het basisonderwijs inzake verwerkingsniveau, afstandsniveau en tekstsoorten die de eindtermen/ontwikkelingsdoelen voor lezen vastleggen. - 5.1 De leerlingen kunnen adequaat kiezen welke informatiebronnen het meest geschikt zijn om bepaalde informatie op te zoeken.
- 5.2 De leerlingen kunnen beslissen op welke manier zij de gevonden informatie zullen opslaan om ze later opnieuw te kunnen raadplegen.
- 5.3 De leerlingen kunnen met behulp van ICT een zoekopdracht formuleren en uitvoeren.
- 5.4 De leerlingen kunnen onder begeleiding oordelen welke informatie relevant en interessant is binnen de onderzoeksopdracht.
- 5.5 De leerlingen kunnen onder begeleiding de bruikbare informatie ordenen en bewaren.
- 5.6 De leerlingen kunnen het eigen zoekproces bijsturen in functie van de reeds bekomen resultaten.
- 5.7 De leerlingen kunnen aangeven waarom hun eigen aanpak wel of niet succesvol was.
- 5.8 De leerlingen nemen een kritische houding aan tegenover de beschikbare informatie.
- 5.9 De leerlingen streven naar nauwkeurigheid en systematiek bij het raadplegen, ordenen en bewaren van informatie.
- 5.10 De leerlingen vermelden spontaan de bronnen die ze gebruikt hebben.
- 5.11 De leerlingen tonen bereidheid en volharding bij het zoeken naar informatie.
- 5.12 De leerlingen zijn in staat om zoekopdrachten uit te voeren d.m.v. eenvoudige procedures zoals: invoeren van een website-adres, zoeken via zoekrobot, navigeren d.m.v. hyperlinks, hanteren van relevante menu-opties.
De leerlingen kunnen ICT gebruiken bij het voorstellen van informatie aan anderen.
- Het gaat hier om het proces van het voorstellen op zich: leerlingen die, alleen of in samenwerking met anderen, in staat zijn om informatie aan anderen mee te delen of te tonen met ondersteuning van multimedia, bijvoorbeeld een leerling vertelt in de kring op maandagmorgen iets over het voorbije weekend, daarbij ondersteund door een paar elektronische foto’s. Een leerling uit de derde graad geeft een ‘spreekbeurt’. Hij gebruikt daarbij ook bewegende elektronische beelden. Een leerling uit opleidingsvorm 3 gebruikt digitale foto’s om een sfeerbeeld te brengen over zijn stage.
Het genereren van die te presenteren info zit vervat onder eindterm 5 namelijk onder de term ‘verwerken’ of onder eindterm 4 ‘creatief vormgeven’. Bijgevolg gaat het hier over het voorstellen op zich, niet over het ‘maken van een presentatie’. - 6.1 De leerlingen kunnen vastleggen in welke volgorde en onder welke vorm de informatie voorgesteld zal worden.
- 6.2 De leerlingen kunnen bepalen welke ICT-toepassingen het meest geschikt zijn om (delen van) de informatie voor te stellen.
- 6.3 De leerlingen kunnen doelgericht informatie (tekst, beeld en geluid) voorstellen aan hun doelpubliek met ondersteuning van ICT.
- 6.4 De leerlingen kunnen reflecteren over de gevolgde werkwijze en daaruit conclusies trekken.
- 6.5 De leerlingen kunnen oordelen en feedback geven over de kwaliteit van de eigen of andermans voorstelling.
- 6.6 De leerlingen houden bij hun voorstelling rekening met de kenmerken en verwachtingen van hun doelpubliek.
De leerlingen kunnen ICT gebruiken om op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier te communiceren.
- Met communiceren bedoelen wij hier dat leerlingen de faciliteiten die ICT biedt, kunnen gebruiken om informatie (onder de vorm van woord, beeld, klank) te geven of te vragen aan derden. Daarbij denken wij aan mogelijkheden die een bijdrage kunnen leveren aan het leerproces, zoals afspraken maken via e-mail of SMS, elektronische documenten meesturen met een e-mailbericht, contacten leggen en informatie verzamelen voor een studiebezoek, live chatten met leerlingen van een andere school, gebruiken van internetfora, blogging, enz.De toevoegingen ‘veilig, verantwoord’, focussen op de elementaire regels en omgangsvormen voor ICT-communicatie. De leerlingen leren onder meer omgaan met de conventies en regels die op het net gelden, soms netetiquette genoemd.
Met ‘doelmatig’ wordt bedoeld dat leerlingen zich afvragen wat het beste communicatiemiddel is, in functie van hun doel. Het is aan de scholen om te oordelen welke de meest gangbare communicatiemiddelen en - applicaties zijn (of worden in de toekomst).
Ook voor leerlingen met een verstandelijke beperking bestaan er specifieke ICT-hulpmiddelen voor communicatie. - 7.1 De leerlingen maken een doelgerichte keuze uit verschillende communicatiemiddelen rekening houdend met de mogelijkheden en de beperkingen ervan.
- 7.2 De leerlingen kunnen vooraf aangeven wat de essentie is van hun boodschap.
- 7.3 De leerlingen kunnen in het kader van een opdracht efficiënt communiceren via de gangbare communicatiemiddelen.
- 7.4 De leerlingen kunnen oordelen of de communicatie efficiënt was en indien nodig bijsturen.
- 7.5 De leerlingen houden rekening met de kostprijs van elektronische communicatie.
- 7.6 De leerlingen respecteren de algemene omgangsvormen bij het elektronisch communiceren (ook wel ‘netiquette’ genoemd).
- 7.7 De leerlingen reageren alert en weerbaar op ongewone boodschappen.
- 7.8 De leerlingen verspreiden geen vertrouwelijke informatie via elektronische weg.
- 7.9 De leerlingen zijn in staat om de gangbare communicatiemiddelen te hanteren.

